Veel mensen die overlijden, krijgen in het ziekenhuis vaak nog de woorden ’het tijdstip van overlijden is…’ bewust mee, zegt dr. Sam Parnia, die onderzoek deed naar reanimatie aan de New York University. Nieuw bewijs suggereert dat biologische en neurale functies niet abrupt stoppen. In plaats daarvan nemen ze geleidelijk af, van minuten tot uren, wat erop wijst dat de dood zich ontvouwt als een proces in plaats van een onmiddellijke gebeurtenis. Uit eerder onderzoek bleek dat 20 procent van de mensen die na een hartaanval dood waren verklaard, maar toch weer tot leven kwamen, bewuste herinneringen had van die tijd. Hoewel dit soort kwesties thuishoren in wetenschappelijke medische tijdschriften en niet in mijn dagboek, heb ik toch gemeend bovenstaande naar mijn vriendje, een gerenommeerde medicus, te moeten sturen om zijn mening te vernemen en dat dan vervolgens met u te delen. Wordt dus vervolgd.
Vandaag kreeg ik een telefoontje uit de Emiraten. Nou heb ik daar een vriendje genaamd Amjad Taha أمجد طه (CEO of Crestnux, Emirati Expert in Strategic and Political Affairs of the Middle East | Author | Analyst and Researcher), maar ik herkende zijn telefoonnummer niet. Dat was ook niet vreemd, want niet hij, maar iemand anders, namelijk de lokale rabbijn, schoonzoon van mijn collega en vriendje uit Brussel, belde mij over Bobruisk een stadje in Wit-Rusland. Hij wilde dat ik iets zou regelen voor een ‘bekende van hem’ die deels in Duitsland woont, deels in Budapest en regelmatig Dubai aandoet. Hij belde mij omdat hij eerst had gebeld met rabbijn Akiva Camissar, de Chabad Sjeliach voor de Israëliërs in Nederland, omdat zijn vader, die in dezelfde straat in Londen woonde als Blouma’s vader, een overgrootvader had die uit Bobruisk afkomstig was, zoals mijn schoonvader. Om een lang topografisch verhaal kort te maken: de eerdergenoemde ‘bekende van hem’ was geboren in Bobruisk en wilde daar een Joods Museum gaan opzetten. Om dat Joodse Museum van de grond te kunnen krijgen wilde hij een gesprek met iemand van het Joods Museum in Amsterdam. Voor de oorlog was 60% van de populatie in Bobruisk Joods en ook daar was ooit een Joodse wijk. Hij wilde dat Joodse Museum koppelen aan een JCK, Joods Cultureel Kwartier, gelijk in Amsterdam het Joods Museum onderdeel is van het JCK. Binnenkort komt de ‘bekende van hem’, die ik dus inmiddels uitgebreid heb gesproken, naar Nederland en heb ik een ontmoeting geregeld met weer een ander vriendje van mij, Emile Schrijver, de directeur van het JCK. Wat leren we uit dit ietwat ingewikkelde telefoontje uit de Emiraten? Ten eerste dat ik veel vriendjes heb, ten tweede dat ik niet te klagen heb over afwisseling, ten derde dat u zich wellicht afvraagt of dit soort karweitjes tot het vakgebied van een rabbijn behoort. Ja, is mijn stellige antwoord, want dat toekomstige Joodse Museum kan een wapen worden in de strijd tegen antisemitisme. En los hiervan heb ik nu drie uitnodigingen lopen om naar de Emiraten te komen: de eerste van Amjad Taha أمجد طه, de tweede van Levi Duchman, de rabbijn, en de derde van ‘de bekende van hem’. Geen van de drie uitnodigingen heb ik aanvaard omdat ik (nog) niet zie wat het doel van zo’n uitstapje zou moeten zijn en Jacobs en doelloos gaan niet goed samen.
Ook vandaag had ik weer een ander (rabbinaal?) klusje met Dov Pinkovitch, de collega/medewerker van Akiva. Hij was benaderd door een Amerikaanse filantroop die met zijn vrouw Europa deden. (Amerikaanse toeristen bezoeken Europa niet, maar ‘they do Europe’). Ze waren voor twee dagen in Nederland en moesten het Anne Frankhuis bezoeken, maar online waren er geen kaartjes meer te krijgen. Hoe lost een Amerikaanse vermogende toerist zoiets op? Hij gaat op zoek naar een Beth Chabad, belandt bij Dov Pinkovitch met de vraag of hij twee toegangskaartjes kon regelen voor vanmiddag. En dus benaderde Dov Akiva en Akiva mij en heeft het filantropische Amerikaanse echtpaar vandaag nog het Anne Frankhuis bezocht, dankzij mijn vriendje in het Anne Frankhuis.
Wat het nuttig rendement van al die telefoontjes zal zijn, weet ik niet, maar niet alles hoeft nut te hebben, maar helpen, ook met ogenschijnlijke nutteloze verzoeken, moet bovenaan de agenda staan van een rabbijn, zelfs als hij opper is. Als je met de hulp aan een medemens je uitsluitend inzet als je er zelf ook van profiteert, dan heet dat geen hulp, maar egoïsme. En egoïsme is een eigenschap die voortdurend op de loer ligt en waartegen we steeds zullen moeten strijden. Het leven zit vol beproevingen, zo heeft G’d deze wereld geschapen. Waarom? Geen idee. Hij heeft ons niet nodig, de wereld heeft Hij ook niet nodig. Voor de schepping en na de schepping is er voor de Eeuwige en in de Eeuwige niets veranderd. En toch hebben wij mensen hier op Zijn aarde een taak en een opdracht: de valkuilen, waarmee we constant worden belaagd, vermijden en ervan doordrongen zijn dat we niet alles kunnen begrijpen. Pas als we dat beseffen gaan we ons bezighouden met het waarom van het leven en het waarom van de vele valkuilen, de vaak onacceptabele beproevingen.
Die beproevingen kunnen ook de gewone irritaties zijn. Zo ontving ik vanochtend (16 februari) een schrijven van mijn zorgverzekering, gedateerd 10 februari 2026. De brief begon als volgt: “Geachte heer Jacobs, Op 24 december 2025 ontvingen wij een machtigingsaanvraag voor…. De aanvraag is volledig of gedeeltelijk goedgekeurd.” Gezien dit antwoord niet volledig en zelfs niet gedeeltelijk door mij werd begrepen, belde ik braaf naar het boven aan de brief vermelde telefoonnummer. Dat gaf uitsluitend een nietszeggend irritant biep, biep, biep.
Regelmatig ontvang ik van rabbijn-dayan Osher Vorst voor het begin van de sjabbat een e-mail uit New York met inspirerende gedachten in het Nederlands. Osher was de klasgenoot van onze oudste zoon Jisrolik zl. Wat las ik vrijdag jl.?
“Ik hoorde iemand vertellen over een kennis die geen makkelijk leven heeft (twee keer gescheiden en zijn kinderen willen hem niet zien), maar desondanks is hij altijd opgewekt. Hoe lukt hem dat? De man vertelde dat hij was geïnspireerd door de Skulener Rebbe. Iemand was met zijn problemen bij de Rebbe gekomen en vertelde aan de Rebbe hoe hij aankeek tegen zijn leven. Het leven is als een half volle beker. Ik probeer steeds mijn blik te richten op het volle deel van de beker en niet op… Maar nog voor hij zijn parabel had afgemaakt onderbrak de Skulener Rebbe hem en zei: Hoe kom je erbij dat je beker maar half vol is? Je beker is helemaal vol en loopt zelfs over! Het probleem is dat jij denkt dat je een veel grotere beker hebt dan je in werkelijkheid bezit!”
